|
De reis van het moederland naar het vaderland verliep tot in de jaren 60 van de vorige eeuw voornamelijk per boot. Abraham Cohen reisde rond 1860 nog helemaal via Zuid-Afrika naar de Oost. Later werd het Suezkanaal gegraven en trokken de schepen via deze kortere route naar het westen.
Onderweg deed het schip havens aan om te fourageren. Hier konden de passagiers dan tijdelijk van boord, bijvoorbeeld in Colombo en Port Said. Sommige passagiers voeren naar Genua en namen van daar de Simplon-Exprestrein naar Nederland. Anderen reisden verder, door de gevreesde Golf van Biskaje en het Nauw van Calais. Uiteindelijk arriveerde men dan in Amsterdam of Rotterdam, afhankelijk van de scheepvaartmaatschappij.
Voor de oorlog hadden ambtenaren recht op Europees Verlof. Zo gingen oom Theo en tante Wies de Leeuw-Cohen in 1935 voor een half jaar naar Nederland met hun drie oudste kinderen. Ze reisden met de Marnix van Sint Aldegonde en onderweg maakte oom Theo een hele fotoreportage. Dankzij deze foto’s kunnen we ons tegenwoordig voorstellen hoe die reis verliep en hoe het leven aan boord was. De hele reis duurde circa een maand.
Van verschillende families weten we met welke boot ze de definitieve reis naar Nederland gemaakt hebben.
Oom Johan en tante Ina met hun kinderen reisden met de Willem Ruys.
Oom Louis en tante Elly met hun twee dochters reisden met een Engels schip.
Tante An Cohen-Hips ging met haar twee kinderen met de Sibajak. Wil je een verhaal of foto toevoegen aan deze pagina, mail dan naar
Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken
|